“Ik wist dat het veel invloed had op Noa, maar ik kon niets doen omdat ik me zo sterk op mijn eigen herstel moest focussen,” zegt Zoë, die inmiddels al zes jaar hersteld is van anorexia.
Zoë’s verhaal
Zoë werd in 2017 gediagnosticeerd met anorexia nervosa en had daarnaast ook een depressie. Ze was toen twaalf jaar oud en net begonnen op de middelbare school. Zoë werd opgenomen in een adolescentenkliniek van het Erasmus MC, waar ze dertien maanden verbleef.
“Ik was een gevaar voor mezelf, en dat was genoeg reden voor een rechter om te bepalen dat ik opgenomen moest worden,” vertelt ze.
Dwangvoeding
Dwangvoeding was een van de ingrijpende manieren waarop Zoë werd behandeld. “Je wordt bij je enkels, middel en polsen vastgebonden zodat de verpleging sondevoeding kan toedienen,” legt Zoë uit. De langste periode waarin ze dwangvoeding kreeg, duurde drie maanden.
Daar ging een hele procedure aan vooraf, waarbij ze eerst zelf de kans kreeg om te eten. “Als ik aangaf dat ik geen voeding wilde, werd dat al gezien als weigering en kon het overgaan in dwangvoeding,” vertelt ze.
Toegeven
“Een onderdeel van een eetstoornis is dat je niet wilt toegeven dat je er een hebt,” zegt Zoë. Het duurde lang voordat ze kon erkennen hoe ernstig haar situatie was. Ze praatte het voor zichzelf goed en bagatelliseerde haar gedrag.
Na ongeveer een jaar in de kliniek schreef ze een brief aan haar moeder waarin ze toegaf dat ze een eetstoornis had. “Ik zag om me heen hoeveel mensen het er moeilijk mee hadden.”
Een begeleider zei tegen haar:
“Je weet zo goed hoe je alles moet weigeren: therapie, eten, eigenlijk alles. Maar je hebt nog niet geprobeerd om hulp te accepteren. Ik denk dat je daar ook heel goed in bent. Zelfs als het niet helpt, kun je altijd terug naar wat je nu doet.”
“Dat moment was voor mij een keerpunt. Vanaf toen wilde ik laten zien dat het echt niet goed met me ging, en ik daadwerkelijk hulp nodig heb,” vertelt Zoë.
Ineens een brus
Noa werd op tienjarige leeftijd ineens een ‘brus’ (broertje of zusje van iemand met een ziekte of beperking).
“Ik begon pas te merken hoeveel invloed het had toen Zoë werd opgenomen,” vertelt ze.
“Ik hield alles voor mezelf. Ik mocht het namelijk niet aan vriendinnen vertellen. Ik dacht: mama, opa en oma moeten zich op Zoë focussen, dus ik stap wel naar de achtergrond. Je mist je grote zus, maar wat kun je doen als je tien bent?”
“Nooit heb ik gedacht: waarom krijg ik minder aandacht? Ik wist dat alle aandacht naar Zoë moest,” legt Noa uit.
“In die periode voelde alles geheimzinnig. Ik kon mijn gevoelens eigenlijk alleen kwijt bij mijn moeder en opa en oma. Toen mijn moeder het aan de moeder van mijn beste vriendin vertelde, voelde dat als een opluchting. Iemand die ik vertrouwde wist wat er speelde. Ik heb er niet veel over gepraat, maar het gaf rust dat iemand begreep waarom ik zo verdrietig was.”
Gezinsdynamiek
“Ik merkte dat de dynamiek binnen het gezin veranderde,” vertelt Zoë.
“Onze moeder deed erg haar best om er ook voor Noa te zijn, bijvoorbeeld door samen leuke dingen te doen. Toch denk ik dat Noa zich soms eenzaam heeft gevoeld. Ze kreeg ook de angst van mijn moeder en opa en oma mee.
Iedereen deed zijn best voor mij, maar ook voor Noa, omdat ze wisten dat het zwaar is om een broer of zus met problemen te hebben.
Er zijn vaak twee reacties: kinderen die juist aandacht gaan zoeken, en kinderen die zichzelf op de achtergrond zetten. Noa hoorde duidelijk bij die laatste groep,” vertelt Zoë.
Bewust
“Noa wist dat ik niet meer wilde leven. Daar kwam ik pas later achter,” vertelt Zoë.
“Er is nooit met haar besproken dat ik in een separeercel zat, maar uiteindelijk bleek dat ze het toch wist. Dat deed me ontzettend veel pijn.”
“Tijdens mijn herstel besefte ik pas echt hoeveel impact het had op de mensen om mij heen, vooral op Noa. Toen ik weer meer mezelf werd, groeide ook mijn empathie. Ik ontwikkelde een sterk beschermend gevoel voor haar.”
Nooit Noa’s schuld
“Noa is er altijd voor me geweest en heeft haar best gedaan. Haar opmerkingen waren nooit de reden dat ik me zo voelde. Ik wil benadrukken dat zij nooit de oorzaak is geweest van mijn eetstoornis. Ze mocht gewoon een blij kind zijn.
Ik hou heel veel van haar, en het komt goed. Het is al zwaar genoeg dat ze haar zus van zo dichtbij heeft zien lijden,” zegt Zoë.

Heden
“We praten er soms nog over, vaak met een vleugje zelfspot en donkere humor. We begrijpen elkaar daarin heel goed,” zegt Zoë.
“Ze was nog maar een kind en moest zich al zoveel zorgen maken. Dat is eigenlijk niet normaal.”
“Ik heb hier enorm veel van geleerd,” zegt Noa. “Sommige mensen leren dit pas veel later in hun leven. Ik geloof dat alles met een reden gebeurt. Blijf erover praten, hulp vragen is het mooiste wat er is, en iedereen verdient dat.”
Een zware periode, die hun band als zussen alleen maar sterker heeft gemaakt
